woensdag 29 april 2015

Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers



Voor en tegens van meritocratie.  

De prikkelende stelling in de titel van dit boekje van Rutger Bregman en Jesse Frederik roept in eerste instantie ongeloof op totdat je  je realiseert dat het werkwoord verdienen meerdere betekenissen heeft. De vraag “Wat verdien je” kun je op meerdere manieren beantwoorden.  Letterlijk gesproken vraag je dan naar iemands inkomen of loon, maar figuurlijk gesproken  vraag je naar waar iemand “recht op heeft” of rechtens toekomt. Dat zijn twee verschillende zaken die niet altijd samenvallen. Zo beschrijven de auteurs vele vormen van “onverdiend inkomen” . Dan bedoelen ze bijvoorbeeld een erfenis , of  opbrengsten verworven uit de bodem, opbrengsten uit patenten en opbrengsten uit speculatie en marktmanipulatie.  “Verdiend inkomen” ontstaat door arbeid te verrichten in dienst van de samenleving en waarbij waarde wordt toegevoegd of gecreëerd.

Dit essay is uitgegeven als bijdrage aan de maand van de filosofie, die gewijd is aan het thema ongelijkheid. Dat is extra in de belangstelling gekomen door het boek “Kapitaal in de 21e eeuw” van de Franse econoom Thomas Piketty. Op basis van gedegen onderzoek over een langere periode heeft hij wetenschappelijk aangetoond dat de accumulatie van kapitaal veel sneller gaat dan de groei van inkomen door arbeid.  Dat leidt ertoe dat de ongelijkheid steeds verder toeneemt tussen degenen die kapitaal hebben en zij die alleen hun arbeid kunnen inzetten. Een toenemende inkomens- maar vooral ook vermogensongelijkheid is de laatste decennia wereldwijd gezien evident. Uit o.a. onderzoek van Wilkinson & Pickett is bewezen dat een toenemende inkomensongelijkheid vele negatieve maatschappelijke  gevolgen heeft. Datzelfde lijkt nu ook het geval te zijn met een toenemende vermogensongelijkheid, die zelfs ook de economie zelf schaadt. Liberaal economen hebben altijd beweert dat een volledig vrije markt en ongebreideld kapitalisme juist ervoor zorgen dat de welvaart verdeeld wordt. Dat blijkt dus een mythe te zijn.                      Inmiddels hebben internationale organisaties als de OESO, het IMF en de Wereldbank, die altijd de mondialisering, vrijhandel en liberalisering (vrije verkeer van geld en goederen) bepleitten, toch ook de negatieve effecten van toenemende vermogensongelijkheid bevestigd. In eigen land heeft een WRR-studie de bevindingen van Piketty bevestigd. Het CBS die andere definities hanteert is veel voorzichtiger.
Het bijzondere van beide auteurs, die werken voor het digitale tijdschrift “de Correspondent” is dat ze vele historische voorbeelden aanhalen. Indrukwekkend is bijvoorbeeld de staking van vuilnismannen in New York in 1968 waar eerst om werd geschamperd totdat de gevolgen zichtbaar werden.  Iedere dag kwam er 10.000 ton afval bij en dat trekt ongedierte aan en veroorzaakt een enorme stank. Uiteindelijk werd zelfs de noodtoestand uitgeroepen. Na 9 dagen kregen de stakers alsnog hun eisen voor een beter salaris ingewilligd. Inmiddels verdient een vuilnisman een respectabel jaarsalaris van $ 70.000 , waarbij overwerk en andere toeslagen nog niet zijn meegerekend. Inmiddels wil iedereen wel vuilnisman worden in New York. 
 

Een geheel andere historische  gebeurtenis was een bankenstaking in Ierland  in mei 1970, die uiteindelijk zes maanden duurde. In no time was 85% van de geldhoeveelheid achter slot en grendel.  Tot ieders verbazing bleek het maatschappelijke leven en de economie echter niet tot stilstand gekomen. In de pubs ontstonden spontaan een nieuw soort banken waar mensen elkaar van alles leenden en op eenvoudige papiertjes leningen en schulden bijhielden. In het licht van de titel zou je op basis van deze voorbeelden dus kunnen beweren dat we vuilnismannen veel harder nodig hebben dan bankiers.
Een ander deel van het boekje wordt besteed aan de eerste liberale premier van Nederland, Pieter Cort van der Linden, die zo’n 100 jaar geleden een aantal belangrijke standpunten verkondigde waar de huidige premier Mark Rutte van zou gruwelen. Van der Linden was een groot voorstander van progressieve belastingen en vooral vermogensbelasting. Hij was ook voorstander van overheidsbanken en heeft de oprichting van de Rijkspostspaarbank bepleit, alsook een staatsverzekeringsbedrijf.   Samen met zijn liberale minister Willem Treub heeft hij ook het erfrecht verandert waardoor alleen directe familie nog een deel zou kunnen erven. Tegenwoordig is de VVD een tegenstander van erfbelasting.
Nog interessanter is het historische verhaal van minister van Financiën Piet Lieftinck. Deze hoogleraar economie uit Rotterdam heeft na de Tweede Wereldoorlog het geldstelsel volledig herzien. We kennen de uitdrukking van "het tientje van Lieftinck" en zo begon het ook. De bedoeling van Lieftinck was echter om de enorme oorlogswinsten en vermogens via belastingen af te romen en te gebruiken voor de wederopbouw van het land. Het oude geld moest worden ingeleverd en alleen wie kon aantonen hoe hij/zij het verdiend had kreeg nieuw geld (nadat een deel was belast). Een geniale vondst waardoor Nederland snel welvarend werd en een nieuw infrastructuur en welvaartsstaat kon worden opgebouwd.    

Auteur Bregman kennen we nog van het boekje “Gratis Geld en andere radicale ideeën”, waarin hij pleit voor invoering van een basisinkomen en flinke vermindering van de omvang van de werkweek.  Zie ook http://bedrijfskunde-economie.blogspot.nl/2014/10/gratis-geld-en-andere-radicale-ideeen.html

 Het bijzondere van deze auteur is dat hij als historicus ons de ogen opent en ons bevrijdt uit de waan van de dag.  Wat heden ten dag bijna onmogelijk lijkt was vroeger heel gewoon. Wie heden ten dage klaagt over hoge belastingen moet eens terug gaan in de geschiedenis. In Nederland, maar ook in Groot Brittannië en in de Verenigde Staten zijn belastingniveau ’s  geweest van 72% en zelfs 90%. Zeker in oorlogstijd was dit het geval waardoor men dit ook wel “de dienstplicht van de rijken” noemde. We zullen samen deze inkomens- en vermogensongelijkheid moeten bestrijden en moeten echter niet wachten tot er een oorlog uitbreekt of een revolutie ontstaat. De overheid moet hierin voorop lopen en laten we hopen dat het nieuwe belastingstelsel hierin voorziet.  

Anders dan in het eerste boekje laten de auteurs hier wat open eindjes liggen. Met hun weergave van verdiend en onverdiend inkomen en vermogen wordt er een academische discussie gevoerd over meritocratie. Daarmee wordt bedoeld zeggenschap en inkomen naar verdienste. Die verdienste is echter niet eenduidig te berekenen. Wie moet er meer verdienen: een rechter, een arts of een hoogleraar?  Veel belangrijker is het om de verschillen tussen inkomens te verkleinen en daarvoor moeten we misschien een maximum- inkomen invoeren zoals nu al voor een deel is gebeurd met de Balkenendenorm voor de publieke sector versus een wettelijk minimuminkomen.            
 

 

Geen opmerkingen: